Wat heeft oorlog toch met kunst?

Waar staan we nu als kunstenaars; 70 jaar na de bevrijding van een oorlog die nog steeds nasuddert in de kunstwereld? Kunst is geweldloos, maar neemt een niet onbelangrijke plaats in binnen gewapende conflicten. Kunst heeft macht. Macht om te visualiseren. Macht om te beïnvloeden.

Beeldvorming

‘Dat waar je je op focust, groeit’ is een bekende oneliner die illustreert hoe belangrijk het is waar je je aandacht op richt. De mens is een visueel wezen en zeer beïnvloedbaar door beeld. Ook in de Tweede Wereldoorlog speelden beelden een grote rol. De enorme propagandamachine van de nazi’s die mensen mee op drift nam; achter de Führer aan. De idealisering van het Derde Rijk met de verheerlijking van de zogenaamde übermensch; het superieure Arische ras. De boosaardige antisemitische filmpjes en posters die een hele bevolkingsgroep wegzette als oorzaak van alle kwaad. Mensen slikten het, werden meegevoerd in een oorlog met een tot dan toe ongeëvenaard gehalte aan gruwelen, waarvan men later zei “Wir haben es nicht gewusst”. Men overzag de consequenties niet van de keuzes en de daden die hebben geleid tot een van de meest wrede oorlogen van Europa. Toch maakten mensen keuzes, heel verkeerde keuzes, op basis van het beeld van de werkelijkheid dat zij zich hadden gevormd.

Maar dat is propaganda; in de kunst ligt dit toch heel anders? Bernhard Starr schrijft echter in zijn in november uitgekomen boek (“Jesus, Jews, and Anti-Semitism in Art: How Renaissance Art Erased Jesus’ Jewish Identity and How Today’s Artists Are Restoring It”) dat veel kunst vanaf de Renaissance doortrokken was van antisemitisme. Christelijke kunst schilderde een karikatuur van het Joodse cultuurgoed en van de Joden; het christelijk gedachtengoed ontdeed zich van zijn Joodse wortels. Deze antisemitische erfenis werd meegenomen tijdens de Reformatie in de 16e eeuw door o.a. Maarten Luther. De felle Jodenhaat van Luther, gelegitimeerd door religieuze motieven, werd een belangrijke voedingsbodem voor het antisemitisme van de nationaalsocialisten en het verschafte Hitler een alibi voor het uitvoeren van genocide. In hoeverre de religieuze kunst direct heeft bijgedragen aan antisemitische beeldvorming is moeilijk te verifiëren; het is aantoonbaar dat de stapsgewijze karikaturisering bewust geschiedde. En effect had.

De nazi’s hadden zich, behalve een vertekend beeld van bepaalde bevolkingsgroepen, tevens een ideaalbeeld gevormd van het superieure Germaanse ras. En dat beeld wilden ze koesteren. Ook in de kunst. In het gehele Derde Rijk werd alle kunst onderworpen aan een schema van eisen behorend bij hun ideaalbeeld van de Arische übermensch. Nationalisme, verbondenheid met de volksgemeenschap, historisch besef, en een positief Germaanse houding waren kernbegrippen. Alle kunst die niet voldeed aan deze eisen was ‘Entartete Kunst’ en moest het veld ruimen. Veel van deze kunst werd geroofd, vernietigd of doorverkocht naar het buitenland.

De nationaalsocialisten waren zich zeer bewust van de impact van beeldmateriaal en schroomden niet beeldende kunst alsmede kunstenaars in te zetten als propagandamateriaal. Een van de meest aangrijpende plaatsen waar kunst en oorlog elkaar raakten, was het concentratiekamp in het Tsjechische stadje Terezín beter bekend als Theresienstadt. Van deze nachtmerrie in vermomming maakte Hitler een ‘documentaire’ getiteld: “Theresienstadt: Ein Dokumentarfilm aus dem jüdischen Siedlungsgebiet” (Een documentaire uit het Joodse vestigingsgebied), waarin het kamp werd afgeschilderd als een artistiek welvaartsoord. Een propagandafilm om de wereldwijde onrust en geruchten over concentratiekampen weg te nemen.

70 jaar na de bevrijding is de ‘beeldenstorm’ nog niet geluwd. Vandaag de dag worden we naar schatting bestookt met een slordige 4000 beelden per dag. Naar aanleiding waarvan we onze innerlijke beeldbank bijstellen danwel bevestigen. Hoe en in welke mate mensen door beelden worden beïnvloed is nog steeds een geliefd object voor diepgaande en geldverslindende onderzoeken. Deze financiële offers worden graag gebracht door de diverse beeldindustrieën die er direct belang bij hebben dat wij de door hen geproduceerde beelden consumeren. Ook in het politieke speelveld is een onuitputtelijke voorraad beeldmateriaal voorhanden. De voorheen voornamelijk verbaal ingerichte media worden nu dagelijks verrijkt met een eindeloze stroom aan beelden van zowel journalistiek kaliber als van een smakeloze baggerkwaliteit. Het verschil is soms moeilijk te duiden. Fungeerden vroeger foto’s vooral als ‘smaakmaker’ bij een journalistiek verslag, nu worden we dagelijks overspoeld door foto’s, video’s, life-opnames en allerhande beeldmateriaal dat ons via diverse media bereikt. Veel daarvan is volslagen onverifieerbaar; professioneel of niet. De beeldvorming is navenant. Het politieke bewustzijn in Nederland is versnipperd en waaiert met vele schakeringen tussen wat vroeger ‘links’ of ‘rechts’ heette. En in dit politieke wespennest waarin informatie nauwelijks verifieerbaar blijkt, zichzelf tegenspreekt, of snel wordt achterhaald en het politieke veld complexer lijkt dan in 1933, worden bevolkingsgroepen weer tegen elkaar opgezet. Temidden van de verwarring lijkt de polarisering toch weer toe te slaan. En een ieder vindt zijn eigen ‘zondebok’. Waarvoor eigenlijk?

Angst

Ontwikkelingen van de afgelopen jaren hebben angst teweeggebracht . Zelfs de voorbereiding van dit jubileumnummer dat tot thema Kunst en Oorlog heeft ontkwam niet aan deze pijnlijke ontdekking: schrijven over het verleden is veilig, maar een link naar het heden blijkt gevoelig te liggen. Precaire onderwerpen moeten met de nodige voorzichtigheid behandeld worden. Sommige mensen zijn bang voor mensen. Anderen vrezen voor inperking van de vrijheid van meningsuiting. Allemaal hebben ze gemeen dat ze een blad voor de mond nemen. Of willen dat de ander een blad voor de mond neemt. Dat is al een beperking.

De BBK schuwt politieke stellingname niet. Dat was haar vertrekpunt vanuit de Tweede Wereldoorlog. En ook nu heeft zij zich uitgesproken voor de vrijheid van meningsuiting en tégen de aanslag op de cartoonisten van Charlie Hebdo. En dat voelt voor mij ambivalent; het zou niet nodig moeten zijn zo’n uitspraak te moeten doen. Maar je moet er iets mee: op het moment dat er dreiging van oorlog of terreur is word je als maatschappelijk betrokken kunstenaar bepaald bij de vraag of je er iets mee wilt of niet. Geweld dringt zich op. Je kunt ervoor kiezen je er op geen enkele wijze door te laten beïnvloeden, maar ook dat is een keuze. Hoe groot is je vrijheid nog op het moment dat je gedwongen wordt hierin keuzes te maken?

Keuzes

Achteraf is het makkelijk te bepalen welke keuzes goed zijn. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leek de situatie in Nederland helder; de Duitser was bezetter èn vijand. Toch verzette niet iedereen zich tegen de nazi’s. Een aantal kunstenaars schreef zich gewillig in bij de Kultuurkamer en onderwierp zijn of haar kunst aan de eisen van het Derde Rijk. Sommige kunstenaars ontvluchtten het nazi-regime. Anderen bleven hun eigen kunst trouw, met gevaar voor eigen leven.

De eerder genoemde propagandafilm in Theresienstadt werd geschreven en geregisseerd door een Joods gevangene; in ruil voor zijn leven. Maar de Duitsers logen. De Weense kunstenares Friedl Dicker Brandeis had een geheel ander aandeel aan het artistieke leven van Theresienstadt. Zij investeerde in de levens van de vele kinderen die daar woonden. Zij trachtte de kinderslaapzalen gezelliger te maken met  wandschilderingen en daarnaast gaf zij in het diepste geheim teken- en schilderlessen aan de kinderen. Van de kinderen die het overleefd hebben weten we hoeveel deze lessen voor hen betekenden. Vlak voor haar deportatie bracht zij 4500 kindertekeningen in veiligheid die tot op de dag van vandaag getuigen van leven, maar vooral van dood in Theresienstadt. Een paar van de kinderen die het kamp hebben overleefd zijn kunstenaar geworden. Friedl beschreef ooit haar levensmotto op een poster met schokkende beelden: “This is how it looks, my child, the world you were born into. If you do not like this world, then you will have to change it.”

Een bijzondere rol tijdens de Tweede Wereldoorlog was weggelegd voor het Stedelijk Museum in Amsterdam. Na de machtsovername door Hitler in Duitsland vluchtten veel Joodse kunstverzamelaars en kunsthandelaars alsmede kunstenaars wiens werk ‘ontaard’ werd verklaard naar Nederland. Het Stedelijk Amsterdam onderhield nauwe contacten met hen en zo kreeg, vooral onder leiding van conservator Willem Sandberg vanaf 1938 de moderne kunstcollectie van het Stedelijk een nieuwe impuls. Vanaf de Duitse invasie in Nederland werd dit allemaal anders. De vaste collectie van het Stedelijk werd gedeeltelijk opgeborgen in een speciaal aangelegde bunker in Castricum. Hier werden ook privécollecties van onder andere Joodse verzamelaars en door de Duitsers afgekeurde kunst in veiligheid gebracht. Een en ander gebeurde met medeweten en toestemming van de nazi’s die zelfs af en toe een kijkje kwamen nemen in de bunker. Bepaalde kunstwerken werden daarom geanonimiseerd aan de opslag toegevoegd.

Het grootste deel van de oorlog bleef het Stedelijk gewoon open en vulde zijn zalen nagenoeg permanent met exposities van Amsterdamse kunstenaarsverenigingen. Deze samenwerking dateerde van voor de oorlog en, hoewel Sandberg zich eerder van deze verenigingen wilde ontdoen, bleek het een effectief middel om propagandistische exposities van nationaalsocialistische kunst buiten de deur te houden. Uiteindelijk hebben er in het Stedelijk maar 2 exposities van Duits propagandamateriaal plaatsgevonden. Helemaal vrij van Duitse invloeden waren de exposities van de Amsterdamse kunstverenigingen niet; zij hadden zich ontdaan van hun Joodse leden; de overige leden hadden zich allen ingeschreven bij de Kultuurkamer, en sommigen hadden zitting genomen in het door de bezetter ingestelde Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK).

De pragmatische houding van zowel Willem Sandberg en directeur David Röell heeft ertoe bijgedragen dat veel kunst werd behouden. Bovendien stelde het hen in staat buiten het zicht van de Duitsers klein en groot verzet te plegen. Een bekend voorbeeld van klein verzet is de affiche voor de tentoonstelling ‘150 jaar mode’ met daarop het woord “Moffen”. De affiche werd gecensureerd door de Duitsers. Andere kleine verzetsdaden waren het faciliteren van vergaderruimten aan verenigingen met Joodse leden die niet meer werden toegelaten in café’s en horeca, het anoniem tentoonstellen van kunstwerken van kunstenaars die zich niet hadden ingeschreven bij de Kultuurkamer, het traineren van invoeren van Duitse maatregelen en het (helaas zonder effect) interveniëren bij de Duitse overheid bij dreigende deportatie van Joodse kunstenaars.

Ter gelegenheid van 70 jaar bevrijding, maar ook vanwege een niet zo lang geleden afgesloten onderzoek naar de herkomst van sommige kunststukken heeft het Stedelijk een expositie samengesteld met unieke kunst, maar ook documentatie en archiefmateriaal die licht werpen op de gang van zaken tijdens en na de oorlog. Deze tentoonstelling maakt inzichtelijk dat niet alles wat er in de oorlog gebeurd is eenvoudig is te duiden als ‘goed’ of ‘fout’. Er zijn keuzes die op het eerste oog voor de hand lijken te liggen, maar bij dieper graven toch genuanceerder blijken te zijn. En het wordt duidelijk dat de Tweede Wereldoorlog diepe sporen heeft nagelaten, ook in de wereld van de kunst. Sporen die nog lang niet uitgewist zijn.

En terwijl de naweeën van de Tweede Wereldoorlog zeker in de kunst nog voelbaar zijn, tekent zich een nieuwe dreiging af die weliswaar complexer en meer diffuus lijkt, maar die toch overeenkomsten vertoont met de oorlog die nu ruim 70 jaar achter ons ligt. Bevolkingsgroepen worden tegen elkaar opgezet. Het zwarte schaap wordt aangewezen en geïsoleerd. Met diverse aanslagen binnen en buiten Europa ligt er een dreiging van terreur over de kunsten en de vrijheid van meningsuiting. De grenzen van laatstgenoemde lijken in zicht te komen. We vragen ons af hoeveel ‘intolerante taal’ we moeten tolereren. Of hoe kwetsend een beeld of zelfs een cartoon mag zijn.

De propagandamachine van een extreem gewelddadige nieuwe Islamitische Staat draait op volle toeren. Een eigen propagandablad, de gewelddadige video’s alsmede flitsende ‘IS-jugend’ propagandafilmpjes missen hun uitwerking niet. En hoewel Nederland voornamelijk materieel participeert in een oorlog ver weg, schroomt deze terreurbeweging niet zoveel mogelijk aanslagen in het Westen op te eisen. Ook deze beweging, met al haar barbarij, onderkent de kracht van beeld en propaganda. Ook IS verwoest of verkoopt alle kunstuitingen en cultureel erfgoed die zij onbruikbaar acht voor propagandadoeleinden voor haar superieur geachte rijk.

Het Westen reageert traag. Frankrijk heeft de regels met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting aangescherpt. Spanje is voornemens een anti-terreurwet door te voeren die de vrijheid van demonstreren aan banden legt. De Spanjaarden lieten het er niet bij zitten en protesteerden met beeld: op straat geprojecteerde hologrammen van meer dan 2000 deelnemers.

Waar staan we als individuele kunstenaars? Laten we deze ‘oorlog’ aan ons voorbij gaan of staan we op de barricades? Kunnen we beïnvloeden en willen we dat? Welke principes zijn niet onderhandelbaar en hoeveel mag het ons kosten? Geven we actualiteit en oorlogstumult permissie om ons atelier te betreden en krijgen ze een plaats in ons werk? Hebben we iets te bieden?

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in BBK Magazine, het kwartaalblad van de Beroepsvereniging van Beeldend Kunstenaars.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *