Street Art

Street Art

Streetart is booming business

Ooit ontstaan vanuit een verlangen om gezien te worden door de toevallige voorbijganger; het brede publiek te bereiken. Wat beweegt mensen om naam en zieleroerselen toe te vertrouwen aan de straat?

Moderne techniek en communicatiemiddelen maken het mogelijk straatkunst direct te vereeuwigen en te delen met de halve, zo niet de hele globe. De wereld binnen handbereik. De hoeveelheid straatkunst neemt hierdoor echter niet af. Integendeel, diverse media geven het fenomeen vleugels. Overal op de wereld worden gebouwen, muren, metro’s en bruggen beschreven, beklad en beschilderd. En overal op de wereld delen kunstenaars hun straatkunst, met grote of kleine ‘K’ via internet en massamedia met het grote publiek. Deels verguisd, deels wereldberoemd beleven graffiti en straatkunst hun hoogtijdagen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Kilroy was here

Een voorloper van de tegenwoordige graffiti was de van origine Amerikaanse slogan “Kilroy was here”. Deze voegde zich tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de Engelse cartoonheld Mr Chad; een kaal hoofd dat zijn grote neus ondeugend over de rand van een muur stak en klaagde over rantsoentekorten. De strip werd wereldwijd gereproduceerd door duizenden soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog. De illustere Kilroy kreeg legendarische eigenschappen, leek omnipresent en werd gespot op schepen, bussen en in hotels; in de VS, Europa en ver daarbuiten. De kracht van de cartoon was niet het eenvoudige ontwerp, noch de inhoud, maar de plaatsen waar hij opdook.

Godfather

De echte godfather van onze graffiti is echter Darryl McCray, geboren in 1953 in Brewerytown, een wijk in Noord-Philadelphia. Darryl kreeg van de kok van een jeugdinstelling de bijnaam ‘CornBread’ vanwege zijn aanhoudende gezeur om maïsbrood. Darryl omarmde de bijnaam en schreef er vervolgens heel Philadelphia mee vol. Hij gebruikte slechts 2 kleuren: zwart voor een lichte muur, zilver voor een donkere muur. Een kroontje op de ‘B’ werd zijn handelsmerk.

Jongeren in Philadelphia en New York namen het ’taggen’ over met als gevolg een ‘graffitiboom’ in de jaren zeventig. De gangs in de Bronx gebruikten het taggen vooral om hun territorium af te bakenen. Deze nametags waren vooral bedoeld voor insiders; een buitenstaander kon de sterk gestileerde leuzen en bijnamen vaak niet meer ontcijferen. Veel graffiti kreeg een dreigend en sinister karakter.

De media volgde de mooiste graffiti op de voet en er ontstond een concurrentiestrijd tussen de jongeren om de meeste media-aandacht. De slogans werden steeds groter en kleurrijker en kregen meer figuratieve elementen. Het taggen werd steeds gevaarlijker: er werden soms grote risico’s genomen om complete ‘pieces’ te kunnen schilderen op gebouwen, treinen en bruggen. Men ging sjablonen gebruiken om sneller te kunnen werken en ontwerpen te kunnen hergebruiken. Veel figuratieve streetart was maatschappijkritisch van aard; men gebruikte de straat als politiek platform.

Look mum, I’m a street artist

Vanuit de graffiti ontstonden vele vormen van streetart, waarbij kwaliteit steeds belangrijker werd. Steeds meer kunstenaars vonden hun weg naar buiten. Velen van hen zonder roots in de graffiti. De nadruk van veel kunstwerken verschoof; de inhoud van het werk werd belangrijker dan degene die het werk had gemaakt. De straat werd vooral tentoonstellingsruimte. Dit in tegenstelling tot hardcore graffiti waar het taggen van de (bij-)naam van de kunstenaar nog steeds hoofdzaak was. Veel streetart werd niet ondertekend om schadeclaims te voorkomen.

Met de opkomst van Popart vond er een verschuiving plaats in de wereld van streetart en graffiti. Mede door het werk van Keith Haring en Jean-Michel Basquiat werd graffiti geaccepteerd als kunstvorm door het publiek. Musea begonnen deze kunst aan te kopen en organiseerden exposities van werken op doek, geïnspireerd door graffiti. Graffiti verhuisde van ‘underground’ naar de begane grond en verkreeg zo wereldwijde bekendheid. In 1980 was de eerste officiële expositie van graffiti in New York. Pas in 1983 waaide het fenomeen dankzij het Groninger Museum en Museum Boymans over naar Nederland. In Engeland ontstond er een sterke streetartbeweging in Londen en Bristol.

Er ontstonden alternatieve vormen van streetart zoals bijvoorbeeld ‘Reverse Graffiti’. Hierbij werd op een smerige ondergrond een afbeelding gemaakt door de ondergrond gedeeltelijk schoon te maken. Een poging om boetes te omzeilen. Ook ontstond in deze periode het ‘Posterbombing’ of ‘Wheatpasting’. Het illegaal opplakken van posters, flyers of stickers ter promotie van politieke activiteiten, concerten en evenementen of horecagelegenheden. Ook populair in die tijd waren de ‘Subverts’ en ‘Culture Jams’; het bekritiseren van consumentisme door het namaken van bekende logo’s, merken of reclame-uitingen, met daarin een verrassingselement, die de kijker aan het denken moesten zetten. Op deze manier hoopte men bewustwording te creëren voor de dominante rol van de grote merken en de massamediacultuur.

Het ‘Banksy-effect’

In oktober 2006 ging een aantal kunstwerken van de stencil-streetartist Banksy voor hoge prijzen over de toonbank. Het startsignaal van het ‘Banksy-effect’. Musea, agents en galerieën besloten te investeren in streetart en er ontstond een levendige handel waarbij straatkunst niet alleen van de straat werd gehaald, maar ook voor exorbitante prijzen werd doorverkocht. Deze commercialisering van streetart werd onderwerp van veel discussie. Sommigen waren van mening dat de geloofwaardigheid van streetart werd aangetast wanneer het werk uit zijn context werd gehaald. Was de straat niet essentieel voor deze kunstvorm? Weggehaald uit zijn omgeving zou het werk de dialoog met de samenleving missen; een samenleving waarmee streetart de confrontatie aanging, waarmee het flirte, en waarop het kritiek leverde.

Anderen meenden dat het een positieve ontwikkeling was dat kwalitatief goede streetart zijn weg zou vinden naar het museum. Zo kon het immers geconserveerd worden voor latere generaties. De straatkunstenaars zelf ervoeren het opkopen door musea en galerieën vaak als erkenning van hun werk.

Een andere vraag was of de politieke lading van veel straatkunst wel tot zijn recht zou komen in door overheid gefinancierde musea, gebouwen of festivals. Het onderbrengen van maatschappijkritische kunst binnen reguliere kaders zou afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van kunstwerken met vaak een anti-establishment karakter. Het werk hangt dan om ‘bezichtigd te worden’. Het kon weleens de doodsteek betekenen voor een zich conformerende subcultuur; ‘Resistance is futile…’ in een museum….

Custom ‘Kicks’ en Hoodies

Graffiti en streetart zijn inmiddels wereldwijd bekende kunstvormen geworden, ingebed in vrijwel iedere samenleving en in meer of mindere mate geaccepteerd door een breed publiek. Ieder land zag zich genoodzaakt de streetart met juridische kaders te omlijsten en in iedere grote wereldstad vormde zich een eigen gemeenschap van straatkunstenaars. Straatkunstenaars wereldwijd staan in contact met elkaar; werken op internationaal niveau samen en internationaal bekende kunstenaars reizen de wereld over om hun werk te promoten en rondleidingen te geven in de straten waar hun werk ‘hangt’.

In veel grote, maar ook kleinere steden zijn gesponsorde streetartfestivals een jaarlijks terugkerend fenomeen. Kleurrijke feesten voor jong en oud, met live werkende kunstenaars, muziek, theater, workshops en veel merchandise. Veel kunstenaars van het eerste uur hebben hun leven als bohemien ingeruild voor een bestaan in de mainstream van de kunstwereld. Anderen hebben een bestaan gevonden in legale en commerciële vormen van streetart. Zij schilderen in opdracht of maken ‘streetart’ op canvas, of exploiteren ‘streetart’ als lifestyle d.m.v. webshops gevuld met gadgets, kleding, schoenen en muziek.

Streetart Lives

De wereld na CornBread ziet er wel een beetje anders uit. De wereld is kleiner geworden, ons politiek en sociaal bewustzijn groter. Social media zijn een verlengstuk geworden van de straat van vroeger en straatkunstenaars maken daar dankbaar gebruik van. Hoewel de hardcore graffiti zich naar binnen blijft richten en vooral bedoeld is voor de eigen scene, lijkt zich een tweedeling af te tekenen binnen de diverse kunstvormen van straatkunst wereldwijd. Er zijn er die kunst maken in opdracht van of met toestemming van de overheid (al dan niet gesubsidieerd) of in samenwerking met vastgoedeigenaren en particulieren. Alles keurig binnen de lijntjes. En dan zijn er die het na een halve eeuw nog niet hebben begrepen; de echte rebellen. Degenen die zich niet conformeren aan de kaders binnen de werelden van kunst, economie, media en vooral; de wet. Straatkunstenaars die met nieuwe vormen aansluiten op actuele thema’s. Zij gebruiken de straat als podium, laten een onafhankelijk geluid horen en worden weer verguisd en bewonderd.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in BBK Magazine, het kwartaalblad van de Beroepsvereniging van Beeldend Kunstenaars.



Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *